Twee potjes plantjes, twee voedingen. Behandeling 2 werd gemiddeld zwaarder — een verschil van −0,87 gram. Maar hoe zeker is die 0,87? Links de plantjes. Rechts de vraag: als je opnieuw en opnieuw uit dezelfde potjes zou plukken, waar zou het verschil dan landen?
We schudden hier niet om nul. We doen iets anders: uit elk potje trekken we opnieuw tien plantjes — mét teruglegging, dus hetzelfde plantje mag twee keer meedoen en een ander helemaal niet. Zo maak je duizend nét-iets-andere versies van je eigen onderzoek. (Voorlopige schets — hier komt Bens eigen tekening.)
De muur is nog leeg. Trek een nieuwe mand plantjes en kijk waar het verschil landt.
Trekken raakt de nul niet aan — het danst rond je schatting van −0,87. Elke keer pluk je uit dezelfde potjes een nieuwe mand van tien, mét teruglegging, en reken je het verschil opnieuw uit. Duizend werelden die dansen rond je schatting. De vraag is niet of ze nul raken — de vraag is of nul buiten de dans valt. Zit nul niet in de middelste 95%, dan is het verschil er echt.
mean(sample(beh1, replace=TRUE)) − mean(sample(beh2, replace=TRUE))
Eén woord doet het werk: replace=TRUE. Mét teruglegging trekken, duizend keer,
en de middelste 95% van die uitkomsten is het betrouwbaarheidsinterval — de breedte van je onzekerheid.
De regressieve ruggengraat · W6 — het trek-blok bij het betrouwbaarheidsinterval · speeltje bij de bootstrap
Data: PlantGrowth (Dobson 1983) · 30 planten, drie voedingen · hier: behandeling 1 vs behandeling 2.