H0.1
In den beginne was er niets.
Geen ruimte, geen tijd. Niets om te ervaren, niemand om te ervaren.
Toen was er iets. Niet de maan of de sterren, geen gedachte, geen woord. Iets van eerder. Een gevoel.
Het ene wangetje was zachter dan het andere. De baard voelde anders dan de haren. Het ene moment was er licht, het andere niet. Het ene geluid was de hoge stem, het andere niet.
Geen woord nog voor wat dan ook. Zelfs niet voor ‘het’.
Maar er werd verschil gevoeld.
waarom dit hier staat
Hieronder ligt het grondbegrip van het hele boek: verschil als de eerste ervaring, vóór taal, vóór het woord “het” — de opmaat naar ik ervaar verschil, dus ik ben. Het beeld is een pasgeboren baby en een wangetje, geen dier en geen voorwerp, en dat is een keuze: de menselijke ankerscène is Bens eigen herinnering, en de docent zegt er meteen achteraan “Dat ben jij geweest” — de lezer wordt zelf het kind, geen toeschouwer. De scheppingsopening (“In den beginne was er niets”) is met de baby versmolten tot één beweging, zonder caesuur. Geplant wordt het wangetje, en dat wordt pas in H12.3 geoogst, als Moos “ooit zo klein geweest” blijkt — de verste boog van het boek. Er ligt bovendien een geparkeerde knipoog te wachten (het boek begint bij hoofdstuk nul, elke toets begint bij H-nul; de niks-wereld van H6/H7 zou “in den beginne was er niets” kunnen echoën) — kandidaat, niet besloten, dus hier niet meerekenen. Fragiel: de baby mag nergens Moos gaan heten — dan is de inwijding van de lezer weg — en er mag geen enkel begrip de scène in; het hoofdstuk bewéért dat voelen vóór taal komt, dus één vakwoord hier en de scène spreekt haar eigen these tegen.