Waar de woorden vandaan komen
Elk vakwoord was ooit een gewoon woord, met een beeld eronder. Vaak is dat beeld vergeten, en toch zegt het nog precies wat het woord bedoelt: normaal was een winkelhaak, kans is hoe de stenen vallen. Van zulke woorden kan ik niet afblijven — maar in de tekst zouden ze onderbreken, dus staan ze onderaan de hoofdstukken, waar je ze tegenkomt als je klaar bent en waar je ze mag overslaan. En soms bewijst het woord wat het hoofdstuk beweert: verschil is familie van schil — klieven, snijden — en via het Oudnoorse skilja, scheiden én begrijpen tegelijk, van het Engelse skill. Onderscheid maken is de vaardigheid: het boek in één woord. Hier staan ze bij elkaar, met herkomst en uitspraak, voor wie ze wilde nalezen.
regressie /rəˈɣrɛ.si/
Latijn regredi (re- terug + gradi stappen) — teruggaan, terugstappen.
Geen val, geen terugval — gewoon teruggaan naar waar je begon. De techniek is ervoor vernoemd: Galton zag kinderen naar het gemiddelde toe lopen, alsof ze naar huis gingen.
beweging /bəˈʋeː.ɣɪŋ/
Germaans wegan (bewegen, dragen, wegen) → bewegen; dezelfde stam als weg en wegen. Latijn movere (bewegen) → e-movere, naar buiten bewegen → Frans émotion → emotie.
De delen van dit boek heten bewegingen. Wegen en bewegen waren ooit één handeling: wie iets weegt, tilt het op. En wie bewogen wordt, voelt — dat is wat het woord emotie letterlijk zegt, nog voordat er iets gedacht is.
verschil /vərˈsxɪl/
Middelnederlands scil, sceel (onderscheid, onenigheid), bij het werkwoord schelen; Germaans skelja- (splitsing, verdeling), uit Indo-Europees skel- — klieven, snijden. Dezelfde wortel als schil.
Verschil is een snee: waar één ding was, liggen er nu twee. Het Oudnoorse skilja betekende dan ook allebei tegelijk — scheiden én begrijpen — en het bijbehorende skil, onderscheid, werd in het Engels skill. Onderscheid maken ís de vaardigheid.
ander /ˈɑn.dər/
Oudnederlands andar, Germaans anþara-, uit Indo-Europees on-tero-: de aanwijzende stam eno- met -tero, de uitgang van de vergrotende trap.
Ander is geen willekeurige vreemde. Het betekende oorspronkelijk de tweede van twee — de ene tegenover de andere — en die betekenis leeft nog in anderhalf: één, en de tweede half. Voor “een van velen” had het Indo-Europees een heel ander woord; daar komen alias en elders vandaan.
het /ət/
Oudnederlands it, uit Indo-Europees id — hetzelfde woord als Latijn id (dat) en Sanskriet idám (dit). De h- kwam er in het Noordzeegermaans voor te staan; in spraak bleef het /ət/.
Eeuwenlang wees het alleen maar aan; pas in het Middelnederlands ging het vooraan staan. Als lidwoord is het typisch Nederlands — het oude onzijdige lidwoord was dat, zoals het Duitse das nog is. Lidwoorden zijn jonger dan je zou denken: het Latijn had er geen, en het Grieks was de eerste Indo-Europese taal die er een maakte — ook daar uit een woord dat eerst alleen aanwees.
statistiek /staːtɪsˈtik/
Latijn status (staat) → Italiaans statista (staatsman) → Duits Statistik, gemunt in 1749 voor het ontleden van staatscijfers.
Ooit het rekenwerk van de staat: hoeveel zielen, hoeveel graan, hoeveel soldaten. Pas later werd het de kunst van het verschil zelf.
gegevens /ɣəˈɣeː.vəns/
Nederlandse leenvertaling van Latijn datum — het gegevene, meervoud data.
Het Nederlands vertaalt het al eeuwen letterlijk. Gegevens máák je niet — je krijgt ze.
data /ˈdaː.taː/
Latijn data, meervoud van datum — “de gegeven dingen”, van dare (geven).
Hetzelfde woord als gegevens, maar dan onvertaald. In de kern een cadeau: iets dat je is aangereikt om mee te werken.
kans /kɑns/
Via het Frans van vulgair Latijn cadentia — “het vallen”, gezegd van dobbelstenen (cadere, vallen).
Kans is letterlijk hoe de stenen vallen. Jij gooit; het vallen is niet van jou. Hieronder staat toeval, dat hetzelfde beeld nog een keer draagt — zelfde wortel, andere route.
toeval /ˈtu.vɑl/
Zeventiende-eeuws, leenvertaling van Latijn accidens — dat wat je toevalt — bij accidere (ad + cadere, toevallen). Middelnederlands toval, Middelhoogduits zuoval, en daaruit het Duitse Zufall. Uit datzelfde accidere komt ook het Engelse en Franse accident.
Toeval is kans nog een keer, maar dan vertaald. Kans komt van cadere via het Latijnse cadentia, toeval van cadere via een Nederlandse namaak — dezelfde wortel, twee keer binnengekomen, één keer geleend en één keer nagebouwd. En allebei zeggen ze precies hetzelfde: het valt, en het valt jóú toe. Niet andersom.
normaal /nɔrˈmaːl/
Latijn norma — de winkelhaak, het timmermansgereedschap om een rechte hoek te zetten.
“Normaal” was nooit een oordeel. Het was een winkelhaak — iets om recht tegenaan te leggen.
robuust /roˈbyst/
Frans robuste, uit Latijn robustus — “van eikenhout”, bij robur (ouder robus): de eik, en bij uitbreiding kracht en hardheid. Uit Indo-Europees reudh-, rood: de eik is genoemd naar zijn roodbruine kernhout. Dezelfde wortel als Latijn ruber en als ons rood.
Robuust zijn is van eikenhout gemaakt zijn. Aan de randen kun je hakken zoveel je wilt, de stam verschuift niet — dat is wat de mediaan doet met een uitschieter, en waarin hij van het gemiddelde verschilt. En de kracht zit in het midden: het harde rode kernhout, binnenin de stam.
toets /tuts/
Van toetssteen (Frans touche, aanraking): de donkere steen waarmee goudsmeden edelmetaal keurden.
Toetsen is aanraken: je streek het goud langs de steen, en het spoor vertelde of het echt was.
steekproef /ˈsteːk.pruf/
Naar Duits Stichprobe — één steek met de boor, één proef van het geheel.
Eén steek met de kaasboor en je proeft de hele kaas. Meer belooft een steekproef niet — en minder ook niet.
betrouwbaar /bəˈtrɑu̯.baːr/
Van trouw, Germaans trewwō — verbond, standvastigheid; uit dezelfde wortel als Engels true en tree (Indo-Europees deru-, hard als hout).
Een betrouwbaar instrument is een trouw instrument: vraag je het nog eens, dan zegt het weer hetzelfde. Let op wat er níét in zit — trouw zegt niets over gelijk hebben. Je kunt trouw hetzelfde blijven meten en er trouw naast zitten.
interval /ɪn.tərˈvɑl/
Latijn intervallum — de ruimte tussen twee palissaden: inter (tussen) + vallum (palissade, wal), een verzamelvorm van vallus, staak. Via Oudfrans intervalle.
Oorspronkelijk de open strook binnen de wal van een legerkamp: begaanbaar terrein tussen de wal en de legioenen. De overdrachtelijke betekenis — tussenruimte in de tijd — zat al in het Latijn. Een betrouwbaarheidsinterval doet nog steeds precies dat: twee muren neerzetten, en zeggen wat ertussen mag staan.
hypothese /ɦipoːˈteː.zə/
Grieks hupó (onder) + thesis (het gestelde) — het eronder-gelegde.
Wat je onder je denken legt vóór je erop gaat staan. Geen gok — een fundament, op proef.
stochastisch /stoːˈxɑs.tis/
Grieks stókhos — de paal waarop boogschutters mikten; stokházesthai, mikken, gissen.
Mikken op een paal in de verte. Wie mikt, mist soms — stochastisch is geen chaos, het is richten.
error /ˈɛ.rɔr/
Latijn errare — dwalen, ronddolen.
Een fout is geen zonde maar een omzwerving. De punten dwalen wat rond de lijn — ze zijn onderweg.
residu /reːziˈdy/
Latijn residuum, van residere — blijven zitten, achterblijven.
Wat blijft zitten als het model is uitverteld. In dat restje begint vaak het volgende hoofdstuk.
correlatie /kɔrəˈlaː.tsi/
Latijn com- (samen) + relatio (van referre, terugbrengen, verslag doen).
Samen verslag uitbrengen: twee variabelen die elkaar vertellen wat ze weten.
variantie /vaːriˈjɑn.si/
Latijn varius — bont, gespikkeld (de diepere herkomst van varius is onzeker).
Vóór het een formule was, was het een kleur: gespikkeld. Variantie meet hoe bont de wereld is.
mediator /ˌmeː.diˈjaː.tɔr/
Latijn medius (midden) → mediare (ertussen staan, bemiddelen) → mediator, de bemiddelaar; zelfde wortel als midden en middel.
De bemiddelaar staat ertussen en geeft door. Niet het begin, niet het eind — de weg waarlangs het gaat. Wie hem wegdenkt, houdt het effect over dat rechtstreeks liep.
antecedent /ɑn.teː.seːˈdɛnt/
Latijn ante (vóór) + cedere (gaan) — dat wat vooropgaat.
Wat vóór gaat. In een modeltabel staat het links: de kolom waar je vandaan vertrekt.
consequent /kɔn.seːˈkʋɛnt/
Latijn con- (mee, samen) + sequi (volgen) — dat wat meevolgt.
Wat volgt. Samen met antecedent het paar dat een pijl beschrijft — het een gaat voorop, het ander komt achteraan. Let op wat er níét in zit: volgen is geen veroorzaken. Wie de pijl tekent, beweert iets dat het woord zelf niet garandeert.