Waar de woorden vandaan komen
Elk vakwoord was ooit een gewoon woord, met een beeld eronder. Soms is dat beeld vergeten; soms vertelt het nog precies wat het woord bedoelt. Hier staan ze bij elkaar — met hun herkomst en uitspraak — de woordherkomsten die onderaan de hoofdstukken langskomen, voor wie ze wilde nalezen.
regressie /rəˈɣrɛ.si/
Latijn regredi (re- terug + gradi stappen) — teruggaan, terugstappen.
Geen val, geen terugval — gewoon teruggaan naar waar je begon. De techniek is ervoor vernoemd: Galton zag kinderen naar het gemiddelde toe lopen, alsof ze naar huis gingen.
statistiek /staːtɪsˈtik/
Latijn status (staat) → Italiaans statista (staatsman) → Duits Statistik, gemunt in 1749 voor het ontleden van staatscijfers.
Ooit het rekenwerk van de staat: hoeveel zielen, hoeveel graan, hoeveel soldaten. Pas later werd het de kunst van het verschil zelf.
gegevens /ɣəˈɣeː.vəns/
Nederlandse leenvertaling van Latijn datum — het gegevene, meervoud data.
Het Nederlands vertaalt het al eeuwen letterlijk. Gegevens máák je niet — je krijgt ze.
data /ˈdaː.taː/
Latijn data, meervoud van datum — “de gegeven dingen”, van dare (geven).
Hetzelfde woord als gegevens, maar dan onvertaald. In de kern een cadeau: iets dat je is aangereikt om mee te werken.
kans /kɑns/
Via het Frans van vulgair Latijn cadentia — “het vallen”, gezegd van dobbelstenen (cadere, vallen).
Kans is letterlijk hoe de stenen vallen. Jij gooit; het vallen is niet van jou.
normaal /nɔrˈmaːl/
Latijn norma — de winkelhaak, het timmermansgereedschap om een rechte hoek te zetten.
“Normaal” was nooit een oordeel. Het was een winkelhaak — iets om recht tegenaan te leggen.
toets /tuts/
Van toetssteen (Frans touche, aanraking): de donkere steen waarmee goudsmeden edelmetaal keurden.
Toetsen is aanraken: je streek het goud langs de steen, en het spoor vertelde of het echt was.
steekproef /ˈsteːk.pruf/
Naar Duits Stichprobe — één steek met de boor, één proef van het geheel.
Eén steek met de kaasboor en je proeft de hele kaas. Meer belooft een steekproef niet — en minder ook niet.
hypothese /ɦipoːˈteː.zə/
Grieks hupó (onder) + thesis (het gestelde) — het eronder-gelegde.
Wat je onder je denken legt vóór je erop gaat staan. Geen gok — een fundament, op proef.
stochastisch /stoːˈxɑs.tis/
Grieks stókhos — de paal waarop boogschutters mikten; stokházesthai, mikken, gissen.
Mikken op een paal in de verte. Wie mikt, mist soms — stochastisch is geen chaos, het is richten.
error /ˈɛ.rɔr/
Latijn errare — dwalen, ronddolen.
Een fout is geen zonde maar een omzwerving. De punten dwalen wat rond de lijn — ze zijn onderweg.
residu /reːziˈdy/
Latijn residuum, van residere — blijven zitten, achterblijven.
Wat blijft zitten als het model is uitverteld. In dat restje begint vaak het volgende hoofdstuk.
correlatie /kɔrəˈlaː.tsi/
Latijn com- (samen) + relatio (van referre, terugbrengen, verslag doen).
Samen verslag uitbrengen: twee variabelen die elkaar vertellen wat ze weten.
variantie /vaːriˈjɑn.si/
Latijn varius — bont, gespikkeld (de diepere herkomst van varius is onzeker).
Vóór het een formule was, was het een kleur: gespikkeld. Variantie meet hoe bont de wereld is.
antecedent /ɑn.teː.seːˈdɛnt/
Latijn ante (vóór) + cedere (gaan) — dat wat vooropgaat.
Wat vóór gaat. In een modeltabel staat het links: de kolom waar je vandaan vertrekt.
consequent /kɔn.seːˈkʋɛnt/
Latijn con- (mee, samen) + sequi (volgen) — dat wat meevolgt.
Wat volgt. Samen met antecedent het paar dat een pijl beschrijft — het een gaat voorop, het ander komt achteraan. Let op wat er níét in zit: volgen is geen veroorzaken. Wie de pijl tekent, beweert iets dat het woord zelf niet garandeert.