Oefenboek Psychometrie

Even dit, voor je begint. Dit oefenboek heb ik zelf gemaakt: de dieren, de data, de opgaven en de uitleg. Het is geen officieel onderdeel van een opleiding; het ligt naast wat je verder gebruikt, niet in plaats daarvan. Op een paar plekken kies ik bewust anders dan wat je elders tegenkomt, en die plekken wijs ik zelf aan: onderaan elk thema, in de Verantwoording, staat waar dit boek zijn eigen weg gaat. Bij ontbrekende antwoorden bijvoorbeeld ben ik strenger — bij mij mag je er hoogstens één missen, waar de gangbare regel de helft nog goedvindt. Zulke verschillen zoek ik voor je op; wat jij hoeft te weten is uit wiens hoek je antwoord komt. Zegt ander materiaal dat je gebruikt iets anders dan dit oefenboek, reken dan met wat daar staat, en hang je antwoord niet aan mij op. Meestal is het verschil een afspraak — een drempel, een letter, de naam van een model — en geen rekenfout.

Zeven thema’s, in de volgorde waarin je psychometrie meestal leert — één per week, als je dat tempo aanhoudt. Elk thema doet hetzelfde: eerst een verhaaltje uit het bos, dan de stof, dan de R-code die je zelf typt, en tot slot vragen met een antwoord dat je pas openklapt ná je eigen poging. De code staat er open bij en niet verstopt — psychometrie leren en R leren gebeuren hier in één beweging, want een betrouwbaarheidscoëfficiënt begrijp je pas echt als je hem een keer zelf uit tien kolommen hebt zien komen.

Je hebt R en RStudio nodig, plus de pakketten tidyverse en psych. Voor thema 5 komen daar lavaan en semPlot bij, voor thema 6 en 7 ltm. Elk thema heeft zijn eigen data/-map; de code gaat ervan uit dat je vanuit de thema-map werkt.

Wat er nu klaar staat

Week Thema Waar het over gaat
1 Meten en norm-scoren Wat een score betekent: schaal-niveaus, z- en T-scores, percentielen, classificatie
2 Betrouwbaarheid Of een schaal consistent meet: Cronbach’s α, split-half, Spearman-Brown, item-deletie
3 Validiteit Of een test meet wat hij belooft: convergent en divergent, criterion, en hoe vaak hij iemand in de verkeerde groep zet
4 Principal Component Analysis (PCA) Wat een set items samen meet: componenten, eigenwaarden, hoeveel je er houdt, varimax en oblimin
5 Confirmatory Factor Analysis (CFA) Of een structuur die je vooraf tekende bij de data past: vrijheidsgraden tellen, de chi-kwadraat-toets, NFI, CFI en RMSEA, en residuen lezen
6 Item Response Theory (IRT) Wat een scorepatroon over iemands vaardigheid zegt: moeilijkheid, het trappatroon, de S-curve, Rasch, 1PL en 2PL, en informatie
7 Test bias Of een toets voor iedere groep hetzelfde meet: vertekening in de antwoorden, in de items en in de voorspelling — een itemcurve per groep, intercept- en slopebias, de dummy en de interactie
Terug naar boven