Thema 9 · t-toets

Deel 5 — Toetsen · de σ die we niet kennen

Van z naar t: σ kennen we nooit

In thema 8 deden we alsof we σx\sigma_x kennen. Dat is een prettige fictie voor het uitleggen, maar in de echte wereld komt zo’n populatie-standaardafwijking nooit kant-en-klaar binnenwaaien. We schatten σx\sigma_x met de standaardafwijking van onze steekproef: sxs_x. En dat extra schatten kost ons iets — vandaar een nieuwe verdeling: de t-verdeling.

OpmerkingDe egels — nu zonder cadeau van God

Zelfde context als thema 8: pienterheid, H0:μx=100H_0: \mu_x = 100, H1:μx>100H_1: \mu_x > 100, α=.05\alpha = .05, steekproef van n=25n = 25 egels met x‾=106\bar{x} = 106. Maar nu: σx\sigma_x kennen we niet (alleen God kende ’m). We hebben sx=15s_x = 15 uit de steekproef — onze beste gok.

Wat verandert er?

Drie dingen, en eigenlijk maar drie:

  1. De standaardfout wordt geschat: SEx‾=sxnSE_{\bar{x}} = \dfrac{s_x}{\sqrt{n}} in plaats van σxn\dfrac{\sigma_x}{\sqrt{n}}.
  2. De toetsingsgrootheid heet tt in plaats van zz — zelfde formule, andere naam: t=x‾−μ0SEx‾t = \dfrac{\bar{x} - \mu_0}{SE_{\bar{x}}}.
  3. We zoeken de kans op in de t-verdeling met n−1n-1 vrijheidsgraden (dfdf), niet in de z-tabel.

Voor onze egels: SEx‾=1525=3SE_{\bar{x}} = \dfrac{15}{\sqrt{25}} = 3 (toevallig gelijk aan thema 8 — handig voor het vergelijken). df=n−1=24df = n - 1 = 24.

De t-verdeling: z, maar met extra onzekerheid in de staarten

De t-verdeling lijkt op de standaardnormale, maar heeft dikkere staarten — meer kans op extreme uitkomsten. En daarom moet je bewijs ook iets sterker zijn: de kritieke grens ligt iets verder van het midden dan bij zz (je zag het in de figuur: x‾c=105,13\bar{x}_c = 105{,}13 in plaats van 104,94104{,}94). Die dikkere staarten krijg je precies doordat je σ\sigma door ss vervangt: ss is zelf ook een schatting met ruis, dus de hele toetsstatistiek wordt iets onzekerder. Je hoort ook de kortere versie — een steekproef onderschat de spreiding in de populatie, zeker een kleine — en dat woord onderschatting moet je kennen, want er wordt in de werkgroep mee gerekend en naar gevraagd. Maar het is een ezelsbruggetje, geen mechanisme: door de n−1n-1 in de noemer is ss nauwelijks te laag (bij n=25n = 25 ongeveer één procent), en de staarten worden dik doordat ss schommelt, niet doordat hij te klein is. Hoe groter nn (dus dfdf), hoe beter ss de echte σ\sigma benadert, en hoe meer de t-verdeling op de z-verdeling lijkt. Bij heel veel vrijheidsgraden vallen tt en zz samen — vandaar dat de onderste rij van Tabel D gewoon z*z^{*} heet.

Figuur 1: De standaardnormale verdeling (z, donkergrijs, doorgetrokken) en de t-verdeling bij df = 9 (oranje, gestippeld). De t-verdeling heeft dikkere staarten en een iets lagere top — meer onzekerheid in de extremen. Bij df = 24 is het verschil al klein; bij df → ∞ vallen ze samen.
TipVrijheidsgraden — een korte intuïtie

Met nn scores en een vastgelegd gemiddelde, mogen n−1n-1 scores nog vrij wisselen — de laatste ligt vast (anders verandert het gemiddelde). Vandaar df=n−1df = n - 1. En omdat we sxs_x rond datzelfde steekproefgemiddelde berekenen, verliezen we precies die ene vrijheid — daarom duikt dfdf juist bij de t-toets (met geschatte ss) op. Hoe meer vrijheidsgraden, hoe stabieler sxs_x als schatting van σx\sigma_x, hoe smaller de staarten.

De snelle weg (3 regels, overzicht)

Voor de egels (x‾=106\bar{x} = 106, sx=15s_x = 15, n=25n = 25, μ0=100\mu_0 = 100, eenzijdig, α=.05\alpha = .05):

  1. Standaardiseer: t=x‾−μ0SEx‾=106−1003=2,00t = \dfrac{\bar{x} - \mu_0}{SE_{\bar{x}}} = \dfrac{106 - 100}{3} = 2{,}00 met df=24df = 24.
  2. Zoek de kans: p=.028p = .028 (rechterstaart, t-tabel df = 24). p<.05p < .05.
  3. Beslis: verwerp de nulhypothese.

Conclusie: ook zonder σx\sigma_x als cadeau scoren egels significant boven de norm van 100. Klaar.

Dezelfde toets-beweging als in T8, nu met tt: x‾→t→p\bar{x} \to t \to p. Je standaardiseert je steekproef met het lineaaltje (de geschatte SE) naar tt, en zoekt de kans pp — alleen kijk je nu in de t-tabel (df=n−1df = n-1), met die iets dikkere staart. Het kaartje zegt niet voor niks “zz (of tt)”.

De lange weg — het toetsingsschema, acht stappen

Stap 1 · Onderzoeksvraag. Zijn egels pienterder dan de norm van 100?

Stap 2 · Hypothesen. H0:μx=100H_0: \mu_x = 100. H1:μx>100H_1: \mu_x > 100 (rechtszijdig). (Op de collegesheets en de antwoordbladen heet die tweede HaH_a — zelfde hypothese, andere letter.)

Stap 3 · Toetskeuze. Eén gemiddelde, σx\sigma_x onbekend → één-steekproefs t-toets (in plaats van z).

Stap 4 · Situatieschets — laat H0H_0 waar zijn en teken de steekproevenverdeling. Onder H0H_0 ligt het centrum op μ0=100\mu_0 = 100 met geschatte standaardfout SEx‾=1525=3SE_{\bar{x}} = \dfrac{15}{\sqrt{25}} = 3. De rechterstaart van 5% (= α\alpha) is het verwerpingsgebied — maar nu met tt (df=24df = 24), niet met zz:

Figuur 2: De steekproevenverdeling onder H0 (mu0 = 100, geschatte standaardfout 3, t-verdeling met df = 24). De oranje staart is het verwerpingsgebied (α = .05); de kritieke waarde ligt op x̄c = 105,13 (iets verder dan T8’s 104,94, omdat de t-verdeling extra onzekerheid in de staart inbouwt). De gevonden steekproef x̄ = 106 (blauwe lijn) valt nog steeds in het verwerpingsgebied → verwerpen.

Stap 5 · Toetsingsgrootheid. t=x‾−μ0SEx‾=106−1003=2,00t = \dfrac{\bar{x} - \mu_0}{SE_{\bar{x}}} = \dfrac{106 - 100}{3} = 2{,}00.

Stap 6 · p-waarde of kritieke waarde.

  • p-waarde: in de t-tabel bij df=24df = 24 hoort bij t=2,00t = 2{,}00 een eenzijdige p≈.028p \approx .028. (Vergelijk T8: voor z=2,00z = 2{,}00 was p=.023p = .023. T levert iets hogere pp — de dikkere staart.)
  • Kritieke waarde: bij α=.05\alpha = .05 eenzijdig en df=24df = 24 is t*=1,711t^* = 1{,}711. Dus x‾c=100+1,711⋅3=105,13\bar{x}_c = 100 + 1{,}711 \cdot 3 = 105{,}13. De gevonden x‾=106>105,13\bar{x} = 106 > 105{,}13 → verwerpen.

De kritieke-waarde-route, nu met tt: α→tc→x‾c\alpha \to t_c \to \bar{x}_c. Bij α\alpha (5% in één staart, df=24df = 24) zoek je de kritieke tt (1,711 — iets verder dan z’s 1,645), en die plak je terug op de x-schaal (x‾c=105,13\bar{x}_c = 105{,}13). Zelfde koorts-cutoff, alleen ligt de lat een tikje hoger door de dikkere staart.

Stap 7 · Statistische beslissing. Verwerp de nulhypothese (t=2,00t = 2{,}00, df=24df = 24, p=.028p = .028, eenzijdig, α=.05\alpha = .05).

Stap 8 · Inhoudelijke conclusie. Bij egels ligt de gemiddelde pienterheid significant boven de norm van 100 — ook nu we σx\sigma_x niet kenden en met sxs_x moesten werken.

Data om mee te spelen: egels_pienterheid.sav — of de hele zip. Met de data per egel in een kolom doe je dezelfde toets met een paar klikken:

Analyze → Compare Means → One-Sample T Test → variabele naar Test Variable(s) → bij Test Value je norm (hier 100) invullen → OK.

Aflezen: kolom tt, dfdf en Sig. (de p-waarde). Let op: SPSS geeft tweezijdig — voor een eenzijdige toets deel je die p door 2.

Belangrijkt-tabel afwijkend van z-tabel — en de procenten-rij

De t-tabel is anders opgebouwd dan de z-tabel: je zoekt in de kolom een staartkans en in de rij je dfdf — daar staat de kritieke t*t^*. Let op hoe die kolommen heten: bovenaan staan proporties (.05, .025, …) onder het kopje upper-tail probability. De percentages onderaan de tabel zijn iets anders — dat is de betrouwbaarheid, en die is tweezijdig. 95% hangt daar dus boven kolom .025, niet boven .05. (Bij de z-tabel zoek je in het binnenwerk een kans-bij-een-z; de t-tabel is bewust korter.) In schema:

  • z-tabel: z→z \;\to\; kans
  • t-tabel: dfdf + staartkans →\;\to\; kritieke t*t^*. Voor df=24df = 24 en eenzijdig 5%: t*=1,711t^* = 1{,}711. De onderste rij heet niet ∞\infty maar z*z^{*}; daar zie je 1,645 staan — exact de z-waarde. Dat is dezelfde “procenten-rij” als het college gebruikt; alleen vraag jij ’m rechtstreeks (“welke tt bij 5% in één staart bij df=24df = 24?”) in plaats van via de p-waarde.

Het t-betrouwbaarheidsinterval

Net als in thema 7 kun je rond x‾\bar{x} een interval bouwen, maar nu met t*t^* in plaats van z*z^* en met SEx‾SE_{\bar{x}} in plaats van σx‾\sigma_{\bar{x}}:

x‾±t*⋅SEx‾\bar{x} \pm t^* \cdot SE_{\bar{x}}

Voor 95% tweezijdig bij df=24df = 24: t*=2,064t^* = 2{,}064 (uit de t-tabel). Dus 106±2,064⋅3=106±6,19=[99,81;112,19]106 \pm 2{,}064 \cdot 3 = 106 \pm 6{,}19 = [99{,}81\,;\,112{,}19]. Iets breder dan T7’s zz-CI [100,12;111,88][100{,}12\,;\,111{,}88] — de prijs van het schatten. Let op: hier ligt 100 wél nét binnen het interval — dus bij een tweezijdige toets (α=.05\alpha = .05, H1:μ≠100H_1: \mu \neq 100) zou je deze nét niet verwerpen. Eenzijdig wel.

Hetzelfde fietsje als in thema 7: je start op x‾\bar{x} en fietst t*t^* uur met snelheid SEx‾SE_{\bar{x}}. Typ het ook in die volgorde. Voor de rechtergrens is dat 106+2,064×3=112,19106 + 2{,}064 \times 3 = 112{,}19, voor de linkergrens fiets je de andere kant op: 106−2,064×3=99,81106 - 2{,}064 \times 3 = 99{,}81.

Komt er bij jou 324,19324{,}19 uit? Dan rekent je rekenmachine na elke knop meteen uit. Typ dan eerst 2,064×3=6,192{,}064 \times 3 = 6{,}19 en fiets daarna vanaf 106: 106+6,19106 + 6{,}19 en 106−6,19106 - 6{,}19.

TipTwee staarten? Dezelfde Pippi-regel als bij z

Toets je tweezijdig (H1:μx≠100H_1: \mu_x \neq 100)? Dan geldt precies de regel uit T8, ook bij tt:

  • p-waarde-methode: zoek één staart op in de t-tabel en doe ×2 (Pippi) — zo matcht het SPSS, dat een tweezijdige pp teruggeeft. (Andersom: SPSS geeft die pp al tweezijdig, dus voor een eenzijdige toets deel je ’m juist door 2.)
  • kritieke-waarde-methode: deel α\alpha door 2 → ½α = .025 per kant → zoek t*t^* bij .025. Géén Pippi hier; het is al per kant gesplitst.

Kort: Pippi (×2) ⇒ p-waarde; ½α per kant ⇒ kritieke waarde.

De onafhankelijke t-toets — twee groepen vergelijken

Je komt hem onder een handvol namen tegen: independent samples t-toets, two-sample t-toets, between-subjects t-toets. Eén toets, een stuk of zes etiketten — laat je er op een meerkeuzevraag niet door afleiden.

Tot nu toe één steekproef tegen een norm. Maar meestal wil je twee dingen naast elkaar leggen: werkt interventie A beter dan B, scoort groep 4A anders dan 4B. Daar is de onafhankelijke t-toets voor, en die moet je op het tentamen met de hand kunnen uitvoeren — inclusief zijn betrouwbaarheidsinterval. Let op dat “het betrouwbaarheidsinterval” bij twee groepen twee dingen kan betekenen: het interval om het verschil (verderop), of gewoon een interval om één van de twee groepsgemiddelden. Dat laatste is het één-steekproefs-interval van hierboven, met de nn en de ss van díé groep — en het is wat de werkgroep je het eerst vraagt.

De gedachte verandert niet. Je pakt een verschil, je deelt het door zijn standaardfout, en je kijkt hoe extreem dat is als er in werkelijkheid geen verschil zou zijn. Alleen is “het verschil” nu x‾1−x‾2\bar{x}_1 - \bar{x}_2 in plaats van x‾−μ0\bar{x} - \mu_0.

BelangrijkNeem de formule van het formuleblad, niet die uit je hoofd

Op het tentamen krijg je deze:

t=x‾1−x‾2s12n1+s22n2df=nmin−1t = \frac{\bar{x}_1 - \bar{x}_2}{\sqrt{\dfrac{s_1^2}{n_1} + \dfrac{s_2^2}{n_2}}} \qquad df = n_{\min} - 1

Twee dingen om vast te houden. De noemer telt de twee standaardfouten in het kwadraat bij elkaar op en trekt daar de wortel uit — elke groep brengt zijn eigen onzekerheid mee. En de vrijheidsgraden zijn nmin−1n_{\min} - 1: de kleinste groep bepaalt, want die is je zwakste schakel.

Dat laatste is de voorzichtige variant. SPSS rekent anders en komt op meer vrijheidsgraden uit — op twee manieren zelfs. Geen van beide is jouw 9. Leg je ze naast elkaar, dan denk je dat je fout zit — dat ben je niet. Waar dat vandaan komt lees je verderop; op het tentamen telt het blad.

Zo reken je hem uit

Het voorbeeld komt uit je eigen college. Twee interventies om peuters meer groente te laten eten: groep 1 proeft steeds andere soorten, groep 2 krijgt ouders die gevoeliger op het eetgedrag reageren. Daarna meet je de groente-inname.

x‾1=24,0s1=13,0n1=10\bar{x}_1 = 24{,}0 \quad s_1 = 13{,}0 \quad n_1 = 10 x‾2=20,0s2=6,0n2=15\bar{x}_2 = 20{,}0 \quad s_2 = 6{,}0 \quad n_2 = 15

Stap 5 · Toetsingsgrootheid. Eerst de noemer, want daar zit het werk:

13,0210+6,0215=16,9+2,4=19,3≈4,3932\sqrt{\frac{13{,}0^2}{10} + \frac{6{,}0^2}{15}} = \sqrt{16{,}9 + 2{,}4} = \sqrt{19{,}3} \approx 4{,}3932

Laat die vier decimalen staan; je hebt ze zo nog nodig. Dan de teller, en delen:

t=24,0−20,04,3932≈0,91t = \frac{24{,}0 - 20{,}0}{4{,}3932} \approx 0{,}91

De vrijheidsgraden. De kleinste groep heeft er 10, dus df=10−1=9df = 10 - 1 = 9. Let op: níét 15, en níét 23.

Stap 6 · p-waarde. Zoek in Tabel D de rij df=9df = 9. Daar staat bij 5% tweezijdig een kritieke waarde van 2,262. Onze 0,91 komt daar niet in de buurt; de tabel laat zien dat p ruim boven .05 ligt.

Stap 7 en 8. Niet verwerpen. In gewone taal: dit onderzoek laat niet zien dat de ene interventie beter werkt dan de andere. Let op wat daar níét staat — niet dat ze even goed werken, maar dat je met deze data het verschil niet kunt aantonen. Met tien en vijftien peuters en zulke grote spreidingen kun je een echt verschil makkelijk missen.

TipHet betrouwbaarheidsinterval voor het verschil

Dezelfde bouwstenen, andere vraag: niet is er verschil maar hoe groot is het ongeveer. Je pakt het gevonden verschil en zet er de foutmarge omheen:

(x‾1−x‾2)±t*⋅s12n1+s22n2(\bar{x}_1 - \bar{x}_2) \pm t^{*} \cdot \sqrt{\frac{s_1^2}{n_1} + \frac{s_2^2}{n_2}}

Voor de peuters, met de standaardfout van hierboven: 4,0±2,262×4,3932≈4,0±9,944{,}0 \pm 2{,}262 \times 4{,}3932 \approx 4{,}0 \pm 9{,}94, dus [−5,94;13,94][-5{,}94\,;\,13{,}94]. (Had je de standaardfout al op 4,394{,}39 afgerond, dan kreeg je 9,939{,}93 — net naast de rand. Rond ook hier pas af aan het eind.)

Kijk waar dat interval doorheen loopt: nul zit erin. Dat is dezelfde conclusie als de toets, maar je ziet er meteen bij hoe weinig je eigenlijk weet — het echte verschil kan zomaar zes eenheden de andere kant op zijn. Toets en interval vertellen hetzelfde verhaal; het interval is er eerlijker over.

Deze formule staat niet op het formuleblad. Hij volgt uit de twee stukken die er wél op staan — het interval met t*t^{*}, en de standaardfout hierboven.

OpmerkingEn die andere formule dan, die je overal ziet?

In SPSS, in je boek en op internet kom je een andere versie tegen, met een samengetrokken standaardafwijking sps_p en df=n1+n2−2df = n_1 + n_2 - 2. Bij de peuters zou dat df=23df = 23 geven in plaats van 9, en dus een andere kritieke waarde en een ander interval.

Die versie is niet fout — hij gaat er alleen van uit dat beide groepen dezelfde spreiding in de populatie hebben. Dat is precies wat SPSS in zijn bovenste regel doet (equal variances assumed): bij de peuters komt daar t=1,04t = 1{,}04 uit bij df=23df = 23.

De onderste regel (equal variances not assumed) laat die aanname los. Die gebruikt exact de noemer van jouw formuleblad, en geeft dus exact jouw eigen t=0,91t = 0{,}91 terug — alleen de vrijheidsgraden zijn anders ingevuld, met een getal dat een komma heeft: df=11,59df = 11{,}59. Jij houdt het op 9 en bent daarmee de voorzichtigste van de drie.

Voor OZP 1 heb je geen van beide nodig en worden ze niet getoetst. Kom je ze tegen: goed dat je ze herkent, en pak op het tentamen het blad.

TipTer kennismaking: de gepaarde (paired samples) t-toets — geen tentamenstof

Wanneer? Je hebt twee metingen aan dezelfde eenheden (bijv. egel-pienterheid vóór en ná een training). Bereken per egel het verschil di=yi,na−yi,voord_i = y_{i,\text{na}} - y_{i,\text{voor}}, en toets of dat verschil 0 is.

Formule: doe een gewone één-steekproefs t-toets op de verschillen, met df=n−1df = n - 1:

t=d‾sdnt = \dfrac{\bar{d}}{\dfrac{s_d}{\sqrt{n}}}

Trucje: gepaard reduceert de variatie tussen egels (elke egel is z’n eigen controle) → vaak meer power dan een onafhankelijke t op dezelfde data.

De gepaarde variant hierboven staat niet op het formuleblad en komt niet op het tentamen — herkennen is genoeg, hij komt verderop in je studie terug. De gedachte is bij alle drie dezelfde: een verschil delen door zijn standaardfout, en kijken hoe extreem dat is onder H0H_0.

Oefenen

OpmerkingT9.1 — t-toets uitvoeren

Bij een steekproef van n=16n = 16 leerlingen op een nieuwe leesvaardigheidstoets vind je x‾=54\bar{x} = 54, sx=8s_x = 8. De landelijke norm is μ0=50\mu_0 = 50. Toets eenzijdig (H1:μ>50H_1: \mu > 50) bij α=.05\alpha = .05.

  1. Wat is SEx‾SE_{\bar{x}} en dfdf?

  2. Wat is tt?

  3. De kritieke waarde t*t^* bij eenzijdig α=.05\alpha = .05, df=15df = 15 is 1,753. Verwerpen?

(a) SEx‾=816=2SE_{\bar{x}} = \dfrac{8}{\sqrt{16}} = 2. df=16−1=15df = 16 - 1 = 15.

(b) t=54−502=2,00t = \dfrac{54 - 50}{2} = 2{,}00.

(c) t=2,00>1,753t = 2{,}00 > 1{,}753 → verwerp de nulhypothese. De leerlingen scoren significant boven de landelijke norm (t=2,00t = 2{,}00, df=15df = 15, eenzijdig, α=.05\alpha = .05).

Data: leesvaardigheid.sav — 16 leerlingen, één kolom leesscore.

Analyze → Compare Means → One-Sample T Test → zet leesscore bij Test Variable(s) → vul bij Test Value de norm 50 in → OK.

Aflezen: t = 2,00, df = 15, en Sig. (2-tailed). SPSS geeft de p tweezijdig; onze toets is eenzijdig, dus deel die Sig. door 2. Je vindt exact je handwerk terug — en de toets verwerpt H0H_0.

OpmerkingT9.2 — t-CI bouwen

Met diezelfde steekproef (x‾=54\bar{x} = 54, sx=8s_x = 8, n=16n = 16): bouw het 95%-betrouwbaarheidsinterval voor μx\mu_x. Gebruik ttweezijdig,.05,df=15*=2,131t^*_{\text{tweezijdig},.05,df=15} = 2{,}131.

  1. Wat typ je in voor de rechtergrens?
  1. Bouw het hele interval. Ligt 50 erin?

(0) Eerst je snelheid: SEx‾=816=2SE_{\bar{x}} = \dfrac{8}{\sqrt{16}} = 2. Dan start je op x‾=54\bar{x} = 54 en fietst t*=2,131t^* = 2{,}131 uur met die snelheid, dus je typt 54+2,131×2=58,2654 + 2{,}131 \times 2 = 58{,}26. Komt er bij jou 112,26112{,}26 uit? Dan rekent je rekenmachine na elke knop meteen uit. Typ dan eerst 2,131×2=4,262{,}131 \times 2 = 4{,}26 en fiets daarna vanaf 54: 54+4,2654 + 4{,}26.

(a) SEx‾=2SE_{\bar{x}} = 2. Foutenmarge m=2,131⋅2=4,26m = 2{,}131 \cdot 2 = 4{,}26. Interval: 54±4,26=[49,74;58,26]54 \pm 4{,}26 = [49{,}74\,;\,58{,}26]. 50 ligt erin (maar nét). Noteer hem met zijn label erbij — 95% BI [49,74;58,26][49{,}74\,;\,58{,}26] — en zeg het daarna in één zin, want daar wordt op nagekeken: het gemiddelde leesniveau in de populatie ligt met 95% zekerheid tussen 49,74 en 58,26. (Strikt genomen gaat die 95% over álle intervallen die je zo bouwt, niet over dit ene — zie thema 7.) Bij een tweezijdige toets zou je dus niet verwerpen — terwijl je eenzijdig wél verwerpt. Dezelfde val als in T8: kies één-/tweezijdig vooraf en met onderbouwing.

Data: leesvaardigheid.sav — dezelfde 16 leerlingen als T9.1, kolom leesscore (x‾=54\bar{x} = 54, s=8s = 8).

Analyze → Compare Means → One-Sample T Test → leesscore bij Test Variable(s) → Test Value 50 → eventueel bij Options… het Confidence Interval Percentage op 95 → OK.

Aflezen: het 95% Confidence Interval of the Difference geeft [−0,26;8,26][-0{,}26\,;\,8{,}26] — dat is het interval rond het verschil met 50. Tel de testwaarde 50 er weer bij op en je krijgt [49,74;58,26][49{,}74\,;\,58{,}26], exact je handwerk. Dat 0 nét binnen het verschil-interval ligt (en 50 dus binnen het score-interval) is precies waarom je tweezijdig níét zou verwerpen.

OpmerkingT9.3 — t-toets tweezijdig: anders dan de norm?

De kraaien staan bekend als de brutaaltjes van het bos, maar zijn ze ook pienterder of juist dommer dan de norm van μ0=100\mu_0 = 100? Je vangt n=16n = 16 kraaien, laat ze de pienterheidstoets doen en vindt x‾=108\bar{x} = 108 met sx=15s_x = 15 (de standaardafwijking in deze steekproef — dus σx\sigma_x onbekend). Toets tweezijdig op α=.05\alpha = .05 of kraaien gemiddeld afwijken van 100.

t=2,133t = 2{,}133 bij df=15df = 15 — tweezijdig, net voorbij de grens
  • H0:μx=100H_0: \mu_x = 100
  • H1:μx≠100H_1: \mu_x \neq 100 — uit de vraag “anders dan 100?”, niet uit je steekproef
  • SEx‾=1516=3,75SE_{\bar{x}} = \dfrac{15}{\sqrt{16}} = 3{,}75
  • t15=108−1003,75=2,133t_{15} = \dfrac{108 - 100}{3{,}75} = 2{,}133
  • df=16−1=15df = 16 - 1 = 15
  • t-tabel, rij df=15df = 15: 2,1332{,}133 ligt tussen 2,1312{,}131 (kolom .025) en 2,2492{,}249 (kolom .020) → eenzijdig .020<p<.025.020 < p < .025
  • Tweezijdig → ×2: .040<p<.050.040 < p < .050
  • p≤α(.05)p \leq \alpha\ (.05) → H0H_0 verwerpen
  • Antwoord: kraaien scoren gemiddeld significant anders (hier: hoger) dan de norm van 100
  1. H0H_0 / H1H_1 uit de vraag. Streep het vraagteken weg → de stellende zin “kraaien zijn anders dan 100” is je H1H_1; H0H_0 is de ontkenning. (Nooit uit je steekproef aflezen — de 108 mag de richting niet bepalen.) Dus, onder elkaar:
    H0:μx=100H_0: \mu_x = 100
    H1:μx≠100H_1: \mu_x \neq 100
  2. Toetskeuze. Eén gemiddelde, sxs_x komt uit de steekproef → σx\sigma_x onbekend → één-steekproefs t-toets.
  3. Standaardfout. SEx‾=sxn=1516=154=3,75SE_{\bar{x}} = \dfrac{s_x}{\sqrt{n}} = \dfrac{15}{\sqrt{16}} = \dfrac{15}{4} = 3{,}75.
  4. Toetsingsgrootheid. t15=x‾−μ0SEx‾=108−1003,75=2,133t_{15} = \dfrac{\bar{x} - \mu_0}{SE_{\bar{x}}} = \dfrac{108 - 100}{3{,}75} = 2{,}133 (op 3 decimalen, zodat je ’m makkelijk in de tabel matcht). df=n−1=15df = n - 1 = 15.
  5. Opzoeken = een range, geen exacte pp. Ga naar rij df=15df = 15. Je t=2,133t = 2{,}133 valt tussen twee tabelwaarden: 2,1312{,}131 (onder kolom .025) en 2,2492{,}249 (onder kolom .020). Grotere tt → kleinere pp, dus je eenzijdige kans zit tussen die twee kolom-pp’s: .020<p<.025.020 < p < .025.
  6. Tweezijdig → ×2 (Pippi). Je H1H_1 heeft twee kanten (≠\neq), dus twee even grote staartjes: verdubbel de eenzijdige range. .020×2=.040.020 \times 2 = .040 en .025×2=.050.025 \times 2 = .050, dus .040<p<.050.040 < p < .050.
  7. Beslissen — when p is low, H0H_0 must go: de hele range ligt op of onder α=.05\alpha = .05, dus p≤.05p \leq .05 → verwerp H0H_0.
  8. Conclusie. Kraaien wijken gemiddeld significant af van de norm (t=2,133t = 2{,}133, df=15df = 15, tweezijdig, α=.05\alpha = .05); met x‾=108\bar{x} = 108 scoren ze hoger dan 100. Pas hier, in de conclusiezin, mag je desnoods zeggen “een kans van minder dan 5%” — in de berekening zelf hield je netjes de proportie pp aan.
OpmerkingT9.4 — t-toets eenzijdig rechts: hoger dan de norm?

De boswachter beweert dat de wezels dit jaar gemiddeld hoger dan μ0=6,5\mu_0 = 6{,}5 scoren op de foerageertoets. Bij n=30n = 30 wezels vind je x‾=7\bar{x} = 7 met sx=1,2s_x = 1{,}2. Toets eenzijdig (rechts) op α=.05\alpha = .05.

t=2,282t = 2{,}282 bij df=29df = 29 — eenzijdig rechts, in de rechterstaart
  • H0:μx=6,5H_0: \mu_x = 6{,}5
  • H1:μx>6,5H_1: \mu_x > 6{,}5 — uit de vraag “hoger dan 6,5?”
  • SEx‾=1,230≈0,2191SE_{\bar{x}} = \dfrac{1{,}2}{\sqrt{30}} \approx 0{,}2191
  • t29=7−6,50,2191≈2,282t_{29} = \dfrac{7 - 6{,}5}{0{,}2191} \approx 2{,}282
  • df=30−1=29df = 30 - 1 = 29
  • Rechterstaart (want H1H_1 “hoger”), rij df=29df = 29: 2,2822{,}282 ligt tussen 2,1502{,}150 (kolom .02) en 2,4622{,}462 (kolom .01) → .01<p<.02.01 < p < .02
  • Eenzijdig → géén ×2
  • p≤α(.05)p \leq \alpha\ (.05) → H0H_0 verwerpen
  • Antwoord: wezels scoren gemiddeld significant hoger dan 6,5
  1. H0H_0 / H1H_1 uit de vraag. Vraagteken weg → “wezels scoren hoger dan 6,5” = H1H_1; H0H_0 is de ontkenning. Dus:
    H0:μx=6,5H_0: \mu_x = 6{,}5
    H1:μx>6,5H_1: \mu_x > 6{,}5
  2. Toetskeuze. Eén gemiddelde, sxs_x uit de steekproef → één-steekproefs t-toets.
  3. Standaardfout. SEx‾=1,230=1,25,477≈0,2191SE_{\bar{x}} = \dfrac{1{,}2}{\sqrt{30}} = \dfrac{1{,}2}{5{,}477} \approx 0{,}2191. Hou hier vier decimalen aan: rond je nu al af op 0,2190{,}219, dan geeft de volgende stap 2,2832{,}283 in plaats van 2,2822{,}282.
  4. Toetsingsgrootheid. t29=7−6,50,2191≈2,282t_{29} = \dfrac{7 - 6{,}5}{0{,}2191} \approx 2{,}282; df=n−1=29df = n - 1 = 29.
  5. Welke staart? Uit de H1H_1, niet uit het teken. H1H_1 zegt “hoger” → rechterstaart. (Dat tt positief uitkomt, bevestigt dat alleen maar.)
  6. Opzoeken = een range. Rij df=29df = 29: t=2,282t = 2{,}282 valt tussen 2,1502{,}150 (kolom .02) en 2,4622{,}462 (kolom .01). Dus .01<p<.02.01 < p < .02.
  7. Eenzijdig → géén ×2. Er is maar één staart in het spel, dus je leest de kolom-pp’s direct af — niet verdubbelen.
  8. Beslissen. p≤.02<α(.05)p \leq .02 < \alpha\ (.05) → when p is low, H0H_0 must go → verwerp H0H_0.
  9. Conclusie. De wezels scoren gemiddeld significant hoger dan de norm van 6,5 (t=2,282t = 2{,}282, df=29df = 29, eenzijdig, α=.05\alpha = .05).
OpmerkingT9.5 — t-toets eenzijdig links: lager dan de norm?

De vossen zouden dit seizoen juist lager dan μ0=5,5\mu_0 = 5{,}5 scoren op de sluwheidstoets — te veel afleiding bij het kippenhok. Bij n=25n = 25 vossen vind je x‾=4,8\bar{x} = 4{,}8 met sx=1,2s_x = 1{,}2. Toets eenzijdig (links) op α=.05\alpha = .05.

t=−2,917t = -2{,}917 bij df=24df = 24 — eenzijdig links; opzoeken als +2,917+2{,}917
  • H0:μx=5,5H_0: \mu_x = 5{,}5
  • H1:μx<5,5H_1: \mu_x < 5{,}5 — uit de vraag “lager dan 5,5?”
  • SEx‾=1,225=0,24SE_{\bar{x}} = \dfrac{1{,}2}{\sqrt{25}} = 0{,}24
  • t24=4,8−5,50,24=−2,917t_{24} = \dfrac{4{,}8 - 5{,}5}{0{,}24} = -2{,}917
  • df=25−1=24df = 25 - 1 = 24
  • Linkerstaart (want H1H_1 “lager”); negatieve tt opzoeken als +2,917+2{,}917
  • Rij df=24df = 24: 2,9172{,}917 ligt tussen 2,7972{,}797 (kolom .005) en 3,0913{,}091 (kolom .0025) → .0025<p<.005.0025 < p < .005
  • Eenzijdig → géén ×2
  • p≤α(.05)p \leq \alpha\ (.05) → H0H_0 verwerpen
  • Antwoord: vossen scoren gemiddeld significant lager dan 5,5
  1. H0H_0 / H1H_1 uit de vraag. Vraagteken weg → “vossen scoren lager dan 5,5” = H1H_1; H0H_0 is de ontkenning. Dus:
    H0:μx=5,5H_0: \mu_x = 5{,}5
    H1:μx<5,5H_1: \mu_x < 5{,}5
  2. Toetskeuze. Eén gemiddelde, sxs_x uit de steekproef → één-steekproefs t-toets.
  3. Standaardfout. SEx‾=1,225=1,25=0,24SE_{\bar{x}} = \dfrac{1{,}2}{\sqrt{25}} = \dfrac{1{,}2}{5} = 0{,}24.
  4. Toetsingsgrootheid. t24=4,8−5,50,24=−0,70,24=−2,917t_{24} = \dfrac{4{,}8 - 5{,}5}{0{,}24} = \dfrac{-0{,}7}{0{,}24} = -2{,}917; df=n−1=24df = n - 1 = 24. De tt is negatief — logisch, want x‾\bar{x} ligt onder μ0\mu_0.
  5. Welke staart? Uit de H1H_1. H1H_1 zegt “lager” → linkerstaart. Het minteken van tt bevestigt dat.
  6. Negatieve tt opzoeken alsof-ie positief is. De verdeling is symmetrisch, dus je zoekt |t|=2,917|t| = 2{,}917 op in dezelfde tabel. Rij df=24df = 24: 2,9172{,}917 valt tussen 2,7972{,}797 (kolom .005) en 3,0913{,}091 (kolom .0025). Dus .0025<p<.005.0025 < p < .005.
  7. Eenzijdig → géén ×2. Eén staart, dus de kolom-pp’s direct aflezen.
  8. Beslissen. p<.005≤α(.05)p < .005 \leq \alpha\ (.05) → verwerp H0H_0.
  9. Conclusie. De vossen scoren gemiddeld significant lager dan de norm van 5,5 (t=−2,917t = -2{,}917, df=24df = 24, eenzijdig, α=.05\alpha = .05).
OpmerkingT9.6 — p-range aflezen (tentamenvraag V24)

Op het tentamen (versie V24) krijg je de rekenstap al cadeau: een collega vond t=−1,78t = -1{,}78 bij df=30df = 30 en toetste tweezijdig. Gevraagd: bepaal de pp-range en beslis bij α=.05\alpha = .05. (Herken de valkuil: de tt is al gegeven, jij hoeft ’m alleen nog in de tabel te plaatsen en de tweezijdig-regel toe te passen.)

|t|=1,78|t| = 1{,}78 bij df=30df = 30 — tweezijdig, binnen de grenzen (niet verwerpen)
  • Negatieve tt opzoeken als |t|=1,78|t| = 1{,}78
  • Rij df=30df = 30: 1,781{,}78 ligt tussen 1,6971{,}697 (kolom .05) en 2,0422{,}042 (kolom .025) → eenzijdig .025<p<.05.025 < p < .05
  • Tweezijdig → ×2: .05<p<.10.05 < p < .10
  • p>α(.05)p > \alpha\ (.05) → H0H_0 niet verwerpen
  • Antwoord: .05<p<.10.05 < p < .10; niet significant
  1. Wat is er gegeven? t=−1,78t = -1{,}78, df=30df = 30, tweezijdig. Je hoeft niets meer te standaardiseren — direct de tabel in. (Ook dít is een vaardigheid: soms geeft het tentamen de tt en vraagt alleen de pp-range + beslissing.)
  2. Negatieve tt opzoeken alsof-ie positief is. De tt-verdeling is symmetrisch, dus je zoekt |t|=1,78|t| = 1{,}78.
  3. Opzoeken = een range. Rij df=30df = 30: 1,781{,}78 valt tussen 1,6971{,}697 (kolom .05) en 2,0422{,}042 (kolom .025). Grotere tt → kleinere pp, dus je eenzijdige kans zit tussen die twee kolom-pp’s: .025<p<.05.025 < p < .05.
  4. Tweezijdig → ×2 (Pippi). Verdubbel de eenzijdige range: .025×2=.05.025 \times 2 = .05 en .05×2=.10.05 \times 2 = .10, dus .05<p<.10.05 < p < .10.
  5. Beslissen. De hele range ligt boven α=.05\alpha = .05, dus p>.05p > .05 → H0H_0 niet verwerpen. (De riedel when p is low, H0H_0 must go gaat hier dus juist niet op: pp is niet laag genoeg.)
  6. Conclusie. Met .05<p<.10.05 < p < .10 is het resultaat niet significant bij α=.05\alpha = .05. Let op de val: was er eenzijdig getoetst, dan lag pp tussen .025.025 en .05.05 en had je wél verworpen — kies één-/tweezijdig dus vooraf en met onderbouwing.
OpmerkingT9.7 — Zes zinnen: z of t?

Je hoeft niets uit te rekenen. Lees elke zin en kies: reken je hier met zz of met tt?

  1. De pienterheidstoets is genormeerd op alle egels in het bos: bij hen is de standaardafwijking 15. Jij test 25 egels.
  2. Jij test 25 egels. In jouw steekproef is de standaardafwijking 15.
  3. In een pilot met 10 egels blijkt de standaardafwijking in de steekproef 12 te zijn. Daarom gaan de onderzoekers ervan uit dat de standaardafwijking in de populatie ook 12 is. Daarna testen ze 40 egels.
  4. Het gemiddelde van alle egels in het bos is bekend: 100. Hoe groot de spreiding bij al die egels is, weet niemand. In jouw steekproef van 25 egels is de standaardafwijking 15.
  5. Jij test 150 egels. In jouw steekproef is de standaardafwijking 15.
  6. In een verslag over 25 egels staat σ=13\sigma = 13. Een zin verderop lees je dat die 13 is uitgerekend op diezelfde 25 egels.
  1. zz. De tekst geeft de standaardafwijking van de populatie: alle egels in het bos.
  2. tt. Je hebt alleen de standaardafwijking van je eigen steekproef.
  3. zz. Die 12 komt wel uit een steekproef, maar de tekst zegt dat de onderzoekers hem als standaardafwijking van de populatie nemen. Daarmee is hij in deze opgave de σ\sigma, en reken je met zz. Of die aanname verstandig is, is een andere vraag; voor je keuze telt wat de tekst zegt. Zo rekent de werkgroep zo’n opgave ook: met z*=1,96z^* = 1{,}96.
  4. tt. Een bekend populatiegemiddelde verandert niets: dat is gewoon je μ0\mu_0, en die heb je bij elke toets. Het gaat om de spreiding in de populatie, en die kent niemand.
  5. tt, maar zz mag ook. Strikt is het tt, want de 15 komt uit je steekproef. Maar met 150 egels schommelt die schatting nauwelijks meer: bij 95% tweezijdig is t*=1,976t^* = 1{,}976 (met df=149df = 149) en z*=1,960z^* = 1{,}960. Daarom rekent het tentamen een t-toets met meer dan 100 deelnemers ook goed als je hem als z-toets doet (zo stond het in juni 2023). Op je blad schrijf je dus gewoon tt; kies je zz, dan is dat niet fout.
  6. tt. Er staat wel een σ\sigma, maar de tekst zegt dat het getal uit de steekproef komt. Dan is het eigenlijk een ss.

Het gaat dus niet om de letter, maar om of de tekst zegt dat het de standaardafwijking van de populatie is. En de vuistregel blijft waar: je hebt sowieso nooit een tt en een σ\sigma in dezelfde formule. Die gaat over de formule die jíj opschrijft; de slotregel hierboven gaat over de tekst die je leest. Eerst lees je of het getal van de populatie is, dan pas kies je de letter. In zin 3 wordt de 12 een σ\sigma, dus hoort er zz bij; in zin 6 is de σ\sigma eigenlijk een ss, dus hoort er tt bij.

Wat blijft liggen

We toetsten alleen gemiddelden. In thema 10 vragen we ons af: hoe goed vángt deze toets een echt effect? — dat is power. Twee dingen uit dít thema komen daar terug. Ten eerste tekende je hier voor het eerst twee verdelingen over dezelfde as (de zz- en de tt-berg, figuur hierboven) — in thema 10 doe je dat opnieuw, maar dan twee wérelden: de God-berg onder H0H_0 en de Allah-berg onder H1H_1. Diezelfde grammatica, twee curven op één getallenlijn. Ten tweede: strikt genomen leeft de “echte” wereld in thema 10 ook in een (tt-achtige) verdeling, maar we rékenen power gewoon met zz — net als de snelle weg hier. De tt-notatie van het college hoef je straks alleen te kunnen lézen, niet uit te rekenen. En in thema 11 stappen we over op categorieën (chi-kwadraat).

Tot slot

In thema 8 deed ik nog alsof we σ\sigma kenden — een prettige fictie om de toets uit te leggen, maar σ\sigma kennen we nóóit, dat weet alleen God. Dus knal je ss erin, je beste gok uit de steekproef, en je betaalt daar een prijs voor: een tikje dikkere staarten, een lat die een héél klein eindje verder van het midden ligt. Verder verandert er niks. Zelfde formule, zelfde plaatje, zelfde acht stappen — alleen sla je nu een andere tabel open. En onthoud waar het op neerkomt: tt is gewoon zz die eerlijk toegeeft dat-ie de σ\sigma niet wist.


Oefenboek OZP 1 · Thema 9, versie 0.1 (handrekenen & theorie). Doorlopend voorbeeld: de egels.

Terug naar boven