Woordenlijst

De kernbegrippen — met een klik naar de plek waar ze worden uitgelegd

Alfabetische lijst van de belangrijkste begrippen uit dit oefenboek. Achter elk begrip staat een korte omschrijving en een pijl naar het thema en de sectie waar je het uitgelegd vindt — klik erop en je springt er meteen heen. In de hoofdstukken zelf zijn veel van deze begrippen ook klikbaar (je herkent ze aan het stippellijntje): klik, en je belandt hier.

Zoek je geen begrip maar een analyse of een formule, dan zijn er twee andere naslagbladzijden: Analysekeuze (welke analyse hoort bij welke vraag) en Je formuleblad (elke formule van het Leidse blad, met waar hij wordt uitgelegd).

Proefversie — de lijst groeit nog. Klopt een omschrijving niet, of mist er een begrip? Laat het weten via vragen@countcamp.org.


Absolute frequentie (ff)
hoe vaak een waarde voorkomt, gewoon geteld. In een tabel: f. → T2 · De frequentietabel
Alternatieve hypothese (H1H_1)
wat je vermoedt dat er wél aan de hand is — de tegenhanger van de nulhypothese. → T8 · H₀, H₁ en de bakker
Betrouwbaarheidsinterval
een bereik rond je steekproefgemiddelde waarvan je redelijk zeker bent dat de echte waarde erin ligt. → T7 · Het betrouwbaarheidsinterval
Chi-kwadraat (χ2\chi^2)
toets voor categorische data: vergelijkt geobserveerde met verwachte aantallen onder H0H_0. In dit werkboek op een kruistabel: twee categorische variabelen, df=(r−1)(c−1)df = (r-1)(c-1). → T11 · Chi-kwadraat onafhankelijkheid (kruistabel)
Correlatie (Pearson rr)
gestandaardiseerde maat voor lineaire samenhang tussen twee variabelen, van −1 tot +1. → T5 · Ruw is ruk → de Pearson-correlatie
Covariantie (sxys_{xy})
gezamenlijke afwijking van twee variabelen in één getal — de motor onder correlatie en regressie. → T5 · Covariantie: samen afwijken
Cumulatief
optellend: alles tot en met deze rij bij elkaar — de waarde zelf en alle lagere. Kan als cumulatieve frequentie (cum. f), cumulatieve relatieve frequentie (cum. rel. freq.) of cumulatief percentage (cum. %). → T2 · De frequentietabel
Foutenmarge (mm)
de halve breedte van een betrouwbaarheidsinterval: m=z*⋅σx‾m = z^* \cdot \sigma_{\bar{x}}, met z*z^* de kritische z-waarde. → T7 · Foutenmarge en steekproefgrootte
Gemiddelde (y‾\bar{y})
som van alle waarden gedeeld door hun aantal; je beste gok zonder verdere informatie. → T1 · Het gemiddelde
Helling (b1b_1)
hoeveel yy verandert per stap in xx — de richtingscoëfficiënt van de regressielijn. → T6 · De lijn berekenen
Intercept (b0b_0)
de (rekenkundige) startwaarde van de regressielijn, waar x=0x = 0. → T6 · De lijn berekenen
Kritieke waarde (x‾c\bar{x}_c)
een score: de grens waar x‾\bar{x} voorbij moet om H0H_0 te verwerpen, in dezelfde eenheid als je scores. Niet te verwarren met de kritische z-waarde z*z^*, en dat kritiek en kritisch verschillen is geen tikfout: de kritieke waarde is een score, de kritische z-waarde een aantal lineaaltjes. Je legt hem vast vóór je naar je steekproef kijkt. Je rekent hem uit door vanaf μ0\mu_0 z*z^* lineaaltjes te lopen, en één lineaaltje is σx‾\sigma_{\bar{x}}: x‾c=μ0+z*⋅σx‾\bar{x}_c = \mu_0 + z^* \cdot \sigma_{\bar{x}}. In thema 8: x‾c=100+1,645⋅3=104,94\bar{x}_c = 100 + 1{,}645 \cdot 3 = 104{,}94. Die grens is dus een grens in je ruwe scores en niet een waarde die je steekproef opleverde; wij noemen hem daarom ook wel de steekproefwaarde (de ruwe statistiek), maar op het tentamen heb je die naam niet nodig. → T8 · De kritieke waarde
Kritische z- en t-waarde (z*z^*, t*t^*)
een aantal lineaaltjes, geen score: het getal dat je in de tabel opzoekt, op de z- of de t-schaal. Welke je opzoekt hangt af van α\alpha en van één- of tweezijdig toetsen: bij α=.05\alpha = .05 is z*=1,645z^* = 1{,}645 eenzijdig en z*=1,96z^* = 1{,}96 tweezijdig; bij t*t^* telt ook dfdf mee. Kritische z-waarde is het woord dat de colleges en het tentamen gebruiken; z-ster zegt hetzelfde, je hoeft er geen derde naam bij te leren. Voor t*t^* geldt hetzelfde: de kritische t-waarde. Loop je vanaf μ0\mu_0 zoveel lineaaltjes, dan kom je uit op de kritieke waarde: x‾c=μ0+z*⋅σx‾\bar{x}_c = \mu_0 + z^* \cdot \sigma_{\bar{x}}. Bij de t-toets is het lineaaltje SEx‾SE_{\bar{x}} (hetzelfde lineaaltje, maar geschat met sxs_x omdat je σx\sigma_x niet kent), dus x‾c=μ0+t*⋅SEx‾\bar{x}_c = \mu_0 + t^* \cdot SE_{\bar{x}}. → T7 · Het betrouwbaarheidsinterval · T9 · Het t-betrouwbaarheidsinterval
Kwadratensom
de som van de gekwadrateerde afwijkingen — de bouwsteen onder variantie. → T1 · Van streepjes naar vierkantjes
Mediaan
de middelste waarde van een geordende rij; ongevoelig voor uitschieters. → T2 · Centrum: modus, mediaan, gemiddelde
Nulhypothese (H0H_0)
de aanname dat er niets aan de hand is; dát is wat je toetst. → T8 · H₀, H₁ en de bakker
Percentage (%)
de relatieve frequentie maal 100, dus van 0 tot 100. Hetzelfde getal als de proportie, in een ander jasje. → T2 · De frequentietabel
Power (onderscheidingsvermogen)
de kans dat je een echt effect ook echt vangt: 1−β1 - \beta. → T10 · Power = onderscheidingsvermogen
p-waarde (pp)
de kans op “dit of nog extremer”, gegeven dat H0H_0 waar is. → T8 · Methode 1: de p-waarde
Regressie
één variabele voorspellen uit een andere — de wolk terugbrengen tot een lijn. → T6 · Van dubbele pijl naar enkele pijl
Regressielijn (ŷ=b0+b1x\hat{y} = b_0 + b_1 x)
de best passende lijn door de puntenwolk. → T6 · De regressielijn
Relatieve frequentie (f/nf/n)
de absolute frequentie gedeeld door het totaal: een proportie, van 0 tot 1. In een tabel: rel. freq. → T2 · De frequentietabel
Residu (e=y−ŷe = y - \hat{y})
wat het model mist: het verschil tussen de geobserveerde en de voorspelde waarde. → T6 · Voorspellen en residuen
R² (verklaarde variantie) (R2R^2)
het deel van de variatie in yy dat het model vangt. → T6 · Hoe goed past het model?
Significantieniveau (α\alpha)
het vooraf afgesproken risico op een type-I-fout (vaak .05). → T8 · α = hoeveel vals alarm je accepteert
Simpson’s paradox
een globaal verband dat omkeert binnen subgroepen; aggregeren verbergt de richting. → T11 · De val van Simpson
Standaardafwijking (ss, σ\sigma)
de wortel van de variantie; de typische gokfout, in de eigen eenheden. → T1 · Variantie en standaardafwijking
Standaardfout (σx‾\sigma_{\bar{x}})
de spreiding van het steekproefgemiddelde: σx/n\sigma_x / \sqrt{n}. → T7 · De standaardfout
Standaardiseren / z-score (zz)
een score uitdrukken in het aantal standaardafwijkingen van het gemiddelde. Let op — gestandaardiseerd betekent bij een gestandaardiseerde toets in de pedagogiek iets anders: daar gaat het om de vaste afname en de vaste normen van de toets, niet om het omrekenen van een score naar zz. Wél familie, andere weg: de toets en de zz zetten allebei iedereen op dezelfde maat — de toets via zijn vaste afname en normen, de zz via één lineaaltje: de standaardafwijking. → T4 · z = het aantal lineaaltjes
Steekproevenverdeling
de verdeling van het steekproefgemiddelde over heel veel mogelijke steekproeven. → T7 · Drie verdelingen
SST · SSM · SSE
de totale, verklaarde en overgebleven kwadratensom: SST=SSM+SSE\text{SST} = \text{SSM} + \text{SSE} (DATA = FIT + RESIDU, opgeteld). → T6 · DATA = FIT + RESIDU
t-toets
de toets als σ\sigma onbekend is: je schat de standaardfout en gebruikt de tt-verdeling. → T9 · Van z naar t
t-verdeling
lijkt op de normaalverdeling maar met dikkere staarten; valt bij grote dfdf samen met zz. → T9 · De t-verdeling
Type-I-fout · Type-II-fout (α\alpha, β\beta)
H0H_0 onterecht verwerpen (type I: vals alarm, vals positief, kans α\alpha — kan alleen als H0H_0 waar is), of H0H_0 onterecht niet verwerpen (type II: gemiste vondst, vals negatief, kans β\beta — kan alleen als H1H_1 waar is). Voor jezelf mag je niet verwerpen best even als behouden denken; in het college kom je ook accept H0H_0 tegen, en dat bedoelt dezelfde beslissing. Toetsen met een kleine α\alpha heet conservatief, met een grote α\alpha liberaal. → T8 · Beslissing ≠ werkelijkheid
Variantie (s2s^2, σ2\sigma^2)
de gemiddelde gekwadrateerde afwijking; spreiding in kwadraten. → T1 · Variantie en standaardafwijking
Verwachtingswaarde (E(X)E(X))
het gewogen gemiddelde van een kansvariabele, met de kansen als gewichten. → T3 · De verwachtingswaarde
Vrijheidsgraden (dfdf)
het aantal vrij in te vullen waarden; n−1n-1 bij de variantie, (r−1)(c−1)(r-1)(c-1) bij de kruistabel. → T1 · Waarom delen door n−1
z-tabel
vertaalt een zz-score naar een kans (en omgekeerd). → T4 · De z-tabel · Bijlage · Tabellen
z-toets
de toets als σ\sigma bekend is; je standaardiseert en zoekt de kans op met zz. → T8 · De snelle weg
Terug naar boven