Bijlage · Je formuleblad
Wat je meekrijgt, wat je zelf moet kennen, en waar het blad iets anders schrijft dan wij
Waar dit over gaat
Bij het tentamen krijg je een formuleblad met een paar tabellen erachter. Dat blad neemt je een hoop uit handen — en precies daarom is het gevaarlijk om erop te gokken. Wat er niet op staat, staat er niet op, en dat merk je liever nu dan in de zaal.
Deze bijlage doet dus twee dingen. Eerst: wat krijg je mee. Daarna, en daar gaat het om: wat moet je zelf kennen.
Als je maar één zin uit deze bijlage meeneemt, neem dan deze: het blad ontlast je geheugen, niet je begrip.
Wat je krijgt
Het blad draagt 13 formules en 3 tabellen. Verder niets: geen uitleg, geen definitie van een symbool, geen woord over wat je wanneer gebruikt.
De formules
Links staat de formule zoals het blad hem schrijft. Rechts staat hij zoals wij hem schrijven, met subscripts erbij. Dat verschil is geen muggenzifterij — zie Waar het blad iets anders schrijft verderop.
| wat het uitrekent | zoals het blad het schrijft | zoals wij het schrijven | thema |
|---|---|---|---|
| correlatie | r = 1/(n−1) Σ ((xᵢ − x̄)/sₓ)((yᵢ − ȳ)/s_y) |
5 | |
| regressielijn | ŷ = b₀ + b₁x |
6 | |
| helling | b₁ = r · s_y/sₓ |
6 | |
| snijpunt met de y-as | b₀ = ȳ − b₁x̄ |
6 | |
| verklaarde variantie | r² = s²_ŷ / s²_y |
6 | |
| interval om , bekend | x̄ ± z * σ/√n |
7 | |
| interval om , onbekend | x̄ ± t * s/√n |
9 | |
| hoe groot moet zijn | n = (z * σ/m)² |
, met de foutenmarge die je hoogstens wilt | 7 |
| z-toets | z = (x̄ − μ)/(σ/√n) |
8 | |
| t-toets, één steekproef | t = (x̄ − μ)/(s/√n) ; df = n−1 |
, | 9 |
| t-toets, twee groepen | t(n_min − 1 df) = (x̄₁ − x̄₂)/√{s₁²/n₁ + s₂²/n₂} |
, | 9 |
| chi-kwadraat | X² = Σ (geobserveerde − verwachte waarde)² / verwachte waarde ; df = (r−1)(c−1) |
, | 11 |
| gestandaardiseerd celresidu | (O − E)/√(E * (1 − rijtotaal/n) * (1 − kolomtotaal/n)) |
11 |
In de correlatie staat tussen de haakjes twee keer dezelfde bouwsteen: waarde min gemiddelde, gedeeld door de standaardafwijking. Dat is de z-score — hier in zijn steekproefvorm, met en in plaats van en , omdat je met data werkt en niet met een populatie. Korter staat er dus , en zo kom je hem in thema 5 ook tegen; het blad schrijft hem alleen helemaal uit.
De tabellen
Achter de formules, in deze volgorde:
| wat erin staat | hoe je hem leest | |
|---|---|---|
| Tabel A | standaardnormale verdeling | de kans links van een gegeven — twee helften, eerst de negatieve ’s, dan de positieve |
| Tabel F | kritieke | rij is , kolom is de rechterstaartkans |
| Tabel D | kritieke | rij is , kolom is de eenzijdige staartkans; de onderste twee rijen geven en het tweezijdige betrouwbaarheidsniveau |
Het zijn dezelfde tabellen als in Bijlage · Kansverdeling-tabellen hier in het oefenboek — zelfde vrijheidsgraden, zelfde staartkansen, zelfde getallen. Daar heten ze alleen niet A, F en D maar bij hun verdeling: Standaardnormale verdeling, De t-verdeling en De chi-kwadraat-verdeling. Oefen het aflezen dus gewoon hier; op het tentamen kijk je dan naar iets vertrouwds.
Wat er niet op staat
Hier gaat het om. Alles hieronder wordt in dit oefenboek gevraagd en staat niet op je blad. Je moet het dus kennen — of, beter: je moet het zó vaak gedaan hebben dat je het niet hoeft te kennen.
Dit is de lijst om af te vinken. Er staat geen enkel punt buiten; wat eronder volgt is toelichting bij de punten die het vaakst misgaan.
Het zijn er 19: 11 bij het beschrijven, 2 bij het standaardiseren, 5 bij het toetsen en 1 bij de kruistabel.
Beschrijven
| wat je zelf moet kunnen | thema |
|---|---|
| gemiddelde: | 1 |
| variantie en standaardafwijking | 1 |
| gemiddelde uit een frequentietabel: | 2 |
| mediaan, , en | 2 |
| modus, midrange en bereik | 2 |
| schaaltransformatie: wat doet met en met | 1 |
| verwachting van een discrete kansvariabele: | 3 |
| variantie van een discrete kansvariabele: | 3 |
| covariantie | 5 |
| residu | 6 |
| , en | 6 |
Dat is geen toeval. Het blad begint bij de correlatie. Alles daarvóór — tellen, samenvatten, spreiding — krijg je niet mee. En let op wat dat betekent voor de formules die je wél krijgt: in b₁ = r · s_y/sₓ staan twee standaardafwijkingen, en hóé je die uitrekent staat nergens op het blad.
Standaardiseren
| wat je zelf moet kennen | thema |
|---|---|
| de z van één waarneming: — zie het kader hieronder | 4 |
| de standaardfout als eigen ding: | 7 |
Die standaardfout staat wél op het blad, maar niet met een naam: hij zit verstopt binnen de formules, als σ/√n. Je moet hem er dus zelf uit herkennen.
Toetsen
| wat je zelf moet kennen | thema |
|---|---|
| betrouwbaarheidsinterval om het verschil tussen twee groepen: , met bij — dezelfde als de toets | 9 |
| power: | 10 |
| de kritieke waarde — de grens op de scoreschaal waarboven je verwerpt | 8, 10 |
| terugrekenen van een gewenste power naar de benodigde | 10 |
| het toetsingsschema: de acht stappen van onderzoeksvraag tot inhoudelijke conclusie | 8 |
Power is de grootste. Thema 10 rekent er een heel hoofdstuk mee, en er staat geen letter over op het blad. Het toetsingsschema is geen formule, maar het is wél waar je punten op verliest.
Kruistabel
| wat je zelf moet kennen | thema |
|---|---|
| de verwachte celfrequentie — zie het kader hieronder | 11 |
Drie van deze punten gaan het vaakst mis. Hier staan ze uitgeschreven.
Twee die je wél leert maar niet gevraagd worden
Deze twee staan niet op het blad, en dat is hier geen gat maar een aanwijzing: ze worden op het tentamen ook niet gevraagd. Daarom staan ze hierboven niet in de lijst — je hoeft ze niet te kennen, alleen te herkennen.
- De toets voor een correlatie, met . Zie het kader in Bijlage · Analysekeuze.
- De gepaarde t-toets, , waarbij het gemiddelde verschil per persoon is. Thema 9 zegt het er zelf bij: ter kennismaking, geen tentamenstof.
Kom je een vraag tegen waarbij je twijfelt of je de gepaarde of de twee-groepen-toets moet pakken, dan is het antwoord in OZP 1 altijd de twee-groepen-toets — die staat op je blad, en de gepaarde niet.
Waar het blad iets anders schrijft dan wij
Vijf plekken. Je hoeft er niets mee te doen behalve ze herkennen — maar als je ze niet herkent, denk je op het tentamen dat je naar iets nieuws kijkt.
En als je straks een resultaat opschrijft, komt er tussen die haakjes iets anders te staan dan op het blad: het getal. Bij en is , dus schrijf je .
Kort samengevat
Het blad geeft je het rekenwerk vanaf de correlatie. Alles ervóór — hoe je een gemiddelde, een standaardafwijking, een covariantie of een verwachte celfrequentie uitrekent — breng je zelf mee. En van wat erná komt ontbreken de power, de gepaarde toets, het interval om een verschil, en het toetsingsschema.
Ga er dus van uit dat het blad je geheugen ontlast en niet je begrip.
Oefenboek OZP 1 · Bijlage Je formuleblad, versie 0.1. Gecontroleerd tegen het blad Formuleblad Tentamen OP1 (2024-2025), zes bladzijden, gelezen als beeld.