Thema 4 · Discrete kansvariabelen
Deel 2 — Standaardiseren · het gewogen gemiddelde
Een dobbelspel in het bos
De kraai heeft een gokspel opgezet. Je gooit met een dobbelsteen, en hij heeft ’m stiekem onzuiver gemaakt: de lage ogen vallen vaker dan de hoge. De kansen liggen dus vast — en als de kansen vastliggen, kunnen we van tevoren uitrekenen wat er gemiddeld gebeurt. Dat is dit korte thema: rekenen aan een discrete kansvariabele.
De kraaiendobbelsteen, \(X\) = aantal ogen:
| \(i\) | \(x_i\) | \(p_i\) |
|---|---|---|
| 1 | 1 | 0,20 |
| 2 | 2 | 0,20 |
| 3 | 3 | 0,20 |
| 4 | 4 | 0,20 |
| 5 | 5 | 0,10 |
| 6 | 6 | 0,10 |
| 1,00 |
De verwachtingswaarde = een gewogen gemiddelde
Wat is de gemiddelde uitkomst? Niet gewoon \((1+2+\dots+6)/6\) — want de lage ogen tellen zwaarder mee, die vallen vaker. Je moet elke waarde wegen met zijn kans. Dat is de verwachtingswaarde:
\[\mu_x = E(X) = \sum p_i\, x_i\]
Dit is precies hetzelfde idee als het gewone gemiddelde (Deel 1) en het gemiddelde uit een frequentietabel (thema 2) — alleen weeg je nu met kansen in plaats van frequenties.
| \(i\) | \(x_i\) | \(p_i\) | \(p_i \cdot x_i\) | \((x_i - \mu_x)^2 \cdot p_i\) |
|---|---|---|---|---|
| 1 | 1 | 0,20 | 0,20 | \((1-3{,}1)^2 \cdot 0{,}20 = 0{,}882\) |
| 2 | 2 | 0,20 | 0,40 | \(1{,}21 \cdot 0{,}20 = 0{,}242\) |
| 3 | 3 | 0,20 | 0,60 | \(0{,}01 \cdot 0{,}20 = 0{,}002\) |
| 4 | 4 | 0,20 | 0,80 | \(0{,}81 \cdot 0{,}20 = 0{,}162\) |
| 5 | 5 | 0,10 | 0,50 | \(3{,}61 \cdot 0{,}10 = 0{,}361\) |
| 6 | 6 | 0,10 | 0,60 | \(8{,}41 \cdot 0{,}10 = 0{,}841\) |
| \(\mu_x = 3{,}1\) | \(\sigma_x^2 = 2{,}49\) |
Dus \(\mu_x = 3{,}1\). Kun je een 3,1 gooien? Nee. Maar het is wél de verwachting — het gemiddelde als je oneindig vaak zou gooien.
De variantie van een kansvariabele
Dezelfde gedachte als in Deel 1 (de blauwe vierkantjes), maar weer gewogen met de kans:
\[\sigma_x^2 = \sum (x_i - \mu_x)^2 \, p_i = 2{,}49, \qquad \sigma_x = \sqrt{2{,}49} \approx 1{,}58\]
(De rechterkolom van de tabel hierboven, opgeteld.)
Wat als de spelregels veranderen? Lineaire transformatie
De kraai zegt: je betaalt €10 inleg, en krijgt €5 per geworpen oog terug. Je winst is dan \(Y = -10 + 5X\) — een lineaire transformatie (\(a = -10\), \(b = 5\)). Wat is je verwachte winst en de spreiding?
- Gemiddelde schuift én schaalt mee: \(\mu_Y = a + b\,\mu_x = -10 + 5 \cdot 3{,}1 = 5{,}5\). (Verwachte winst €5,50 — de kraai heeft slecht gerekend.)
- Variantie: \(\sigma_Y^2 = b^2 \, \sigma_x^2 = 5^2 \cdot 2{,}49 = 62{,}25\).
- Standaardafwijking: \(\sigma_Y = |b| \, \sigma_x = 5 \cdot 1{,}58 = 7{,}89\) ( \(= \sqrt{62{,}25}\), klopt).
Oefenen
Tot slot
Een discrete kansvariabele reken je net als een gewone groep — alleen weeg je met kansen: de verwachtingswaarde is een gewogen gemiddelde, de variantie een gewogen optelling van vierkantjes. En verander je de spelregels lineair, dan schuift het gemiddelde mee en schaalt de variantie met \(b^2\). Dat laatste komt straks terug als de motor onder de standaardfout.
Werkboek OZP 1 · Thema 4, versie 0.1 (handrekenen & theorie; SPSS later).